Grip op competenties Jonge Kind

Ontwikkeling bij jonge kinderen zien en waarderen
Het geeft je écht de handvatten om aan de slag te gaan met onwikkeling in de brede zin. Pedagogisch medewerkers willen het beste voor de kinderen. Niet alleen dat ze zich lekker in hun vel voelen, maar ook de ontkiemende talentjes stimuleren. Maar, hoe breng je dit in beeld? Hoe zorg je ervoor dat je geen
uren alle handelingen aan het meten bent, maar je wel een volledig beeld hebt? Prof. dr. Ferre Laevers, Bart Declercq en Wilma van Esch beschrijven het in ‘Grip op competenties’, een nieuwe uitgave van Onderwijs Maak Je Samen in samenwerking met CEGO. De auteurs laten zien dat het beoordelen op kleine indicatoren
niet nodig is om een goed beeld van de brede ontwikkeling van kinderen te krijgen.

Van prestatiegericht naar competentiegericht

In de afgelopen decennia heeft prof. dr. Ferre Laevers onderzoek gedaan naar de wijze waarop we in de kinderopvang kijken naar ontwikkeling van kinderen. Zijn onderzoeken hebben ons nieuwe handvatten gegeven voor de manier waarop we de opbrengst de kinderopvang in kaart kunnen brengen. 

Wanneer je prestatiegericht naar kinderen kijkt, ga je uit van de kerndoelen. Je baseert je activiteiten en aanbod op deze doelen. Er zijn leerlijnen beschikbaar van waaruit je zicht houdt op de ontwikkeling van het kind. Vervolgens gebruik je concreet materiaal uit methodes of handboeken waarmee je de dagelijkse activiteiten vormgeeft.

 

Voorbeeld niet-holistische benadering:

  • uitbreiden van de receptieve woordenschat
    vertellen op een begrijpelijke en verstaanbare wijze
    gesprekjes voeren met de leidster en/of een ander kind
    genieten van versjes, gedichtjes of verhalen
    spelen met klanken en symbolen
    herkennen van symbolen

Er is steeds meer oog voor het eindeloos registreren van alle handelingen bij kinderen. Er moet controle en zicht zijn op elk aspect van ieder kind. Hiermee wordt het vertrouwen in de pedagogisch medewerker op de proef gesteld. Die kan immers aan ouders heel snel uitleggen wat het kind al wel kan en waar het nog wat in kan groeien (via gericht, betekenisvol aanbod). Het gedetailleerd volgen van bepaalde onderdelen van de ontwikkeling blijkt nuttig. Denk bijvoorbeeld aan de basis van leren praten. Echter, dit zou niet het uitgangspunt moeten zijn bij alle elementen van de ontwikkeling.

Breder kijken naar de ontwikkeling: van toetsen naar observeren van competenties

“De basisgedachte van competentiegericht leren is dat kennis of vaardigheden niet in isolatie moeten worden aangeboden aan kinderen. Om te werken aan competenties moeten deze kennis en vaardigheden niet alleen met élkaar worden verbonden, maar ook met een praktijk waarin die kennis en vaardigheden betekenisvol kunnen worden. In het begrip ‘competentie’ zit besloten dat er een relatie tot stand wordt gebracht tussen deze drie elementen van leren: kennis, vaardigheden en praktijk.”
(Nedermeijer & Pilot, 2000)

 

Bij competenties gaat het niet over weetjes of een afgezonderde taak kunnen volbrengen. Kinderen maken een stap in hun denken of doen. Het is de opbrengst van een ondek- en ontwikkelproces dat een kind achter de rug heeft. Dit zie je doordat het kind in een andere situatie (thuis, in spel met andere kinderen), het geleerde kan toepassen. Je ziet dit ook bij kinderen wanneer ze snel dingen oppikken. Dit laat zien dat ze zich snel kunnen ontwikkelen op een bepaald gebied.

 

Je kunt competenties moeilijk volgen via toetsen, je ziet daar immers niet of een kind in een andere situatie de vaardigheid ook kan toepassen. Een voorwaarde voor het observeren van een competentie is een rijke speel-leeromgeving. Laat kinderen een realistisch probleem mee oplossen: er zijn niet genoeg bedden, hoe gaan we dat oplossen? Je komt hierin meer te weten over hun logisch denken, ondernemingszin, taalvaardigheid en sociale interactie.

 

Het ‘meten’ van brede ontwikkeling

In de prestatiegerichte benadering wordt de ontwikkeling van kinderen gemeten aan de hand van leeftijdsgebonden ontwikkelingslijnen. Wil je echter competenties in beeld brengen is het ten eerste van belang om deze competenties helder te beschrijven. Ten tweede een leeftijdsonafhankelijke schaal om de ontwikkeling van kinderen in beeld te brengen. Het procesgericht kindvolgsysteem Looqin voldoet aan deze twee eisen. Looqin maakt gebruik van een vijfpuntsschaal voor elk van de competentiedomeinen. Het mooie aan deze schalen is dat deze bruikbaar zijn voor het hele leeftijdsbereik van baby’s en kleuters tot het einde van het voortgezet onderwijs en zelfs volwassenenonderwijs.

 

Er is in Looqin voor gekozen om enkel de zeer hoge score (niveau 5) en de zeer lage score (niveau 1) van een definitie te voorzien (zie kader). Dit zijn de ijkpunten. Een omschrijving voor de tussenliggende niveaus zou weinig om het lijf hebben. Niveau 4 zou nog eens alle kenmerken van niveau 5 moeten hebben, maar met een relativerend sausje, bijvoorbeeld: ‘weet over het algemeen wat hij wil’, ‘kan redelijk vloeiend bewegen’ en ‘kan zich enigszins mondeling verwoorden’.

Begrijpen van de fysische wereld

Een van de domeinen die op het eerste gezicht wat lastig te begrijpen is, is de fysische wereld. Wat al helpt is om te denken aan ‘fysiek’: iets vastpakken of onderzoeken. De fysische realiteit omvat de materie (van zandkorrel tot sterrenstelsels) en de levende wezens (de natuur: van ééncellige tot mens). Het ‘begrijpen’ van de fysische wereld blijkt uit greep hebben op eigenschappen van materialen, zich kunnen voorstellen hoe stoffen en voorwerpen zich in allerlei situaties en in combinatie met elkaar ‘gedragen’ en effecten van handelingen op ‘materie’ kunnen voorspellen. Bijvoorbeeld: het ondervinden dat een stuk stof anders voelt dan een steen of een stukje hout. Als ik hout (blokje) laat vallen, dan klinkt dat anders dan een rubberen bal of een lepel. Het kunnen bedenken dat een konijn zacht aanvoelt en een kikker glibberig. Kan verschillen in materiaal ruiken of voelen.

 

NIVEAU 1 (ONTWIKKELING LIGT VER ONDER HET GEMIDDELDE NIVEAU VAN LEEFTIJDGENOTEN)
Kan weinig met de fysische werkelijkheid, verklaart het – voor zijn leeftijd – nog sterk in een magische wereld en maakt daarom nog vaak onjuiste inschattingen van de effecten van (combinaties van) materialen en van ingrepen. Weet eigenschappen niet goed toe te schrijven en begrijpt weinig van de gedragingen van mensen en dieren.

NIVEAU 5 (ONTWIKKELING LIGT VER BOVEN HET GEMIDDELDE NIVEAU VAN LEEFTIJDGENOTEN)
Is sterk gericht op het opdoen van ervaringen in de fysische wereld. Kan van verschillende objecten en levende wezens voorspellen hoe ze zich gedragen/hoe ze aanvoelen. Maakt goede inschattingen van de effecten van (combinaties van) materialen en van ingrepen (als ik dit doen, dan gebeurt dat). Weet passende ingrepen op objecten en natuur te bedenken en op een succesvolle manier met die wereld om te gaan.

De leeftijdsgrenzen doen er niet toe, als je de competentiebril opzet

Als je de beschrijvingen van niveau 1 en niveau 5 bekijkt dan kun je er niet meteen een leeftijd op plakken. De observatie in de praktijk is essentieel. Toch kan het je helpen als je een globaal beeld hebt van de globale ontwikkeling van kinderen van 0–12 jaar per competentiedomein.

In het onderwijs veronderstellen we zelfs dat deze kennis aanwezig is bij professionals. We verwachten immers van een leraar dat hij de kennis heeft van wat hij/zij mag verwachten van de kinderen uit zijn/haar groep. Deze kennis helpt om kinderen juist in te schatten en te weten wanneer de ontwikkeling van kinderen significant voorloopt (score 5) of achterloopt (score 1).

Het volgende schema kan hierbij een helpend (en zeker geen volledig!) kader bieden.

Volg Looqin op Social Media